Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0351

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200510440/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) appellant onder oplegging van dwangsommen gelast de bewoning van de op het perceel [locatie] te [plaats] gebouwde woning te staken en gestaakt te houden, alsmede de inboedel daaruit te verwijderen en die woning terug te brengen tot garage, meer in het bijzonder door de keuken, woonkamer, slaapkamers en douchegelegenheid te verwijderen en verwijderd te houden.


Uitspraak

200510440/1. Datum uitspraak: 18 oktober 2006 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/759 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 november 2005 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Uden. 1.    Procesverloop Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) appellant onder oplegging van dwangsommen gelast de bewoning van de op het perceel [locatie] te [plaats] gebouwde woning te staken en gestaakt te houden, alsmede de inboedel daaruit te verwijderen en die woning terug te brengen tot garage, meer in het bijzonder door de keuken, woonkamer, slaapkamers en douchegelegenheid te verwijderen en verwijderd te houden. Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2005, verzonden op 14 november 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 22 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 21 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 augustus 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. S.M.W. Verouden, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Verder is, namens appellant, verschenen [partij]. Als getuige is gehoord [getuige]. 2.    Overwegingen 2.1.    Niet in geschil is dat in strijd met artikel 40 van de Woningwet op het perceel [locatie] een woning is gerealiseerd in afwijking van de in 1975 verleende bouwvergunning voor een garage, zodat het college ter zake handhavend kon optreden. 2.2.    Evenmin is in geschil dat het gebruik van die garage als woning in het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) is verboden. 2.3.    Appellant betoogt dat het college niet bevoegd was tot het opleggen van de last met betrekking tot het staken en gestaakt houden van de bewoning van de garage, omdat het gebruik als woning valt onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Daartoe voert appellant aan dat de rechtbank heeft miskend dat door de in 1979 aan de broer van appellant verleende toestemming de garage te bewonen een eerdere wraking van de hiervoor genoemde overtredingen ongedaan is gemaakt. 2.3.1.    Ingevolge artikel 56, lid B, sub 1, van de planvoorschriften mag het op het tijdstip van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat met de in het plan aangewezen bestemming in strijd is, worden voortgezet. 2.3.2.    Het bestemmingsplan heeft rechtskracht verkregen op 17 april 1990 (hierna: de peildatum). 2.3.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant geen beroep kan doen op het gebruiksovergangsrecht. Het college heeft het met het plan strijdige gebruik reeds in 1975 gewraakt door met toepassing van bestuursdwang de in de garage aangebrachte woonvoorzieningen te verwijderen. Deze wraking had ten tijde van voormelde peildatum haar betekenis niet verloren. De toestemming die een maatschappelijk werker van de gemeente aan de broer van appellant zou hebben gegeven om permanent in de garage te gaan wonen, doet hier niet aan af. Deze toestemming is niet komen vast te staan. De Afdeling laat daarbij nog buiten beschouwing in hoeverre het college door een deugdelijke toestemming gehouden zou zijn om die bewoning duurzaam te aanvaarden. De rechtbank heeft derhalve op goede gronden geoordeeld dat het college tegen het gebruik van de garage als woning handhavend kon optreden. 2.4.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.5.    Niet in geschil is dat geen concreet uitzicht op legalisatie bestaat ter zake van het bouwen in afwijking van de verleende vergunning en het gebruik van het gebouw voor woondoeleinden. 2.6.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college in redelijkheid niet gebruik kon maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden tegen het gebouwde in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, omdat het bouwovergangsrecht van het geldende bestemmingsplan daaraan in de weg staat. 2.6.1.    Dit betoog faalt. Vast staat dat in afwijking van de verleende bouwvergunning een woning is opgericht en dat het bestemmingsplan deze woning niet toelaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 23 juni 2004, zaak no. 200306614/1, kunnen overgangsbepalingen die betrekking hebben op het bouwen er niet toe leiden dat het college niet (meer) bevoegd is handhavend op te treden tegen een bouwwerk dat vóór de in het bestemmingsplan genoemde peildatum, zonder de daartoe vereiste vergunning, is opgericht. Het betoog van appellant dat het college blijkens het besluit van 8 juni 2004 het al dan niet gebruik maken van zijn bevoegdheid handhavend op te treden tegen bouwwerken heeft laten afhangen van de vraag of het bouwwerk onder het bouwovergangsrecht valt, kan niet leiden tot het door hem beoogde doel. Immers, het in afwijking van de verleende bouwvergunning oprichten van de woning valt niet onder het overgangsrecht, omdat uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de wraking uit 1975 ten tijde van het in ontwerp ter visie leggen van het bestemmingsplan, te weten 3 januari 1983, haar betekenis niet had verloren. 2.7.    Appellant betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat appellant erop mocht vertrouwen dat het college niet meer handhavend zou optreden tegen het gebruik van de garage als woning nu het geruime tijd op de hoogte was van de illegale situatie. Het college heeft appellant niet in het vooruitzicht gesteld dat het medewerking zou verlenen aan legalisering van het strijdige gebruik en heeft evenmin aangegeven dat het daartegen niet zou optreden. 2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat. w.g. Slump    w.g. Klein Nulent Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006 218-494.